Racisme heeft doorwerking in de lichamen van de getroffenen. Dit geïnternaliseerde racisme uit zich middels Colorism. Colorism is geïnternaliseerd racisme wat zich uit middels discriminatie en ongelijkheid gebaseerd op huidskleur, textuur van het haar en andere uiterlijke kenmerken. Colorism is een verlengstuk van racisme. Beide zijn “witte producten” (denk bijvoorbeeld aan de “brown paper bag test” in de Verenigde Staten, waar personen die lichter waren dan de bruine papieren zak meer privileges kregen). Uit onderzoek (in diverse landen) is gebleken dat lagere inkomens, minder kansen in het dating-circuit, zwaardere straffen, etc. direct te relateren zijn aan colorism. Er is in de Verenigde Staten bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar de visie van witte participanten op diverse individuen van kleur, welke heeft aangetoond dat witte mensen, mensen van kleur met een lichtere teint, intelligenter inschatten.

Colorism is een universeel probleem waar een lichte huidskleur wordt geassocieerd met schoonheid en status. Om deze reden zien we dat de teint van de huid enorm relevant blijkt in het krijgen van kansen op de arbeidsmarkt, hoger salaris etc. Ook zien we deze denkbeelden met grote regelmaat terugkomen in populaire beeldvorming middels media. Mensen die de dupe zijn van colorism, kunnen een afkeer ontwikkelen voor hun eigen uiterlijke kenmerken. Dit speelt zo een enorme rol dat crèmes die de huid bleken, veelvuldig verkocht worden. Deze bleekmiddelen worden overigens over de gehele wereld gebruikt. In Nigeria gebruikt 77 procent van de vrouwen, bleekproducten om hun huid licht te maken, Ook India blijkt een belangrijke markt voor dergelijke producten.

Colorism bestaat al eeuwen. In voormalige koloniën waar slavernij aanwezig was, wordt vaak gesteld dat de basis van colorismin de slavernij ligt, omdat onderdrukkers vaak een voorkeursbehandeling gaven aan slaafgemaakten met een lichtere huidskleur (e.g. verdeel-en-heers). Deze voorkeursbehandeling speelde ook na de slavernij een belangrijke rol. Zo kregen zwarte mensen met een lichte huidskleur vaak werk dat voor personen met een donkere teint ontoegankelijk was. De zwarte hogere middenklasse was daarom over het algemeen licht van kleur. Een lichte huidskleur wordt daarmee over de eeuwen heen gerelateerd aan kansen binnen diverse zwarte gemeenschappen. In Suriname bestaat er een bekende uitdrukking “Opo yu kloru” (“verhef je kleur”). Dit werd gezegd tegen het nageslacht om duidelijk te maken dat het beter zou zijn om een partner te kiezen met een lichte huidskleur. De kinderen zouden hiermee lichter worden en een tree hoger op de maatschappelijke ladder komen.  Sommige ouders accepteerden daarom bijvoorbeeld geen donkergetinte man voor hun dochter. Er zijn talloze voorbeelden van families, die veel nadruk leggen op de schoonheid van hun lichtere kinderen, hetgeen negatieve gevolgen kan hebben voor de donkerdere broers/zussen, neven/nichten.

Colorism speelt ook een belangrijke rol in andere Zuid-Amerikaanse landen. Zwarte mensen worden gemarginaliseerd, zijn oververtegenwoordigd in de armoedecijfers, en hebben veelvuldig te maken met racisme. In Brazilië werden/worden diverse categorieën en termen gebruikt om diverse soorten “raciale” verschillen te duiden, die direct effect hebben op de sociale status van een individu. Zo werden/worden er verschillende termen gebruikt voor mensen met “gemengd bloed”, zoals de denigrerende termen “mulat”, “mesties”, etc. Dergelijke termen werden overigens ook in andere werelddelen en landen gebruikt (onder meer in voormalig “Nederlands-Indië”). In veel Spaanse en Portugese koloniën in Zuid-Amerika heeft al vanaf het begin van het kolonialisme “rassenvermenging” plaatsgevonden. Denk bijvoorbeeld aan “racial whitening”, een ideologie die vooral in Brazilië in de periode tussen 1889 en 1914 werd nageleefd. Aanhangers van deze ideologie waren van mening dat het witte ras superieur was en dat “rassenmenging” ervoor zou zorgen dat het zwarte ras (zowel genetisch als cultureel) op den duur zou verdwijnen. Hierbij baseerden zij hun denkbeelden op het wetenschappelijk racisme. Daarmee is de constructie van ras in Latijns-Amerika anders dan bijvoorbeeld in de Verenigde Staten, waar “rassenvermenging” over het algemeen vermeden werd. Thomas Jefferson wordt vaak geassocieerd met de leus “all men are created equal”, maar hij was tegelijkertijd fel tegenstander van “rassenvermenging” en zag dit als de degradatie van het witte ras: “A lover of nature history should not be a lover of his slaves if he would keep the races of man like the races of animals as distinct as nature has formed them.”(Jefferson, 1801: p.143). Overigens had hij zelf zes kinderen bij Sally Hemings, een slaafgemaakte vrouw (Finkelman, 1996). Jefferson was van mening dat voormalig slaafgemaakten na de emancipatie naar een ander land zoals Sierre Leone of Haïti zouden moeten emigreren omdat hij van mening was dat witte en zwarte mensen niet vrij en gelijk naast elkaar konden leven in de samenleving zonder het ontstaan van een genocidale rassenoorlog. Dit plan van emigratie zou families uit elkaar trekken, maar volgens Jefferson was de liefde tussen zwarte mannen en vrouwen gebaseerd op lust en het verdriet daarmee van korte duur. In de Verenigde Staten was er dus zelfs sprake van een angst voor “rassenvermenging” omdat men dacht dat er degeneratie zou optreden en dit een gevaar zou zijn voor het witte “ras”. “Rassenvermenging” werd via wetten verboden, denk aan Jim Crow segregatie in de Verenigde Staten, apartheid in Zuid-Afrika en formele interraciale huwelijksverboden in bijvoorbeeld Azië en Suriname. In Suriname, waren gemengde huwelijken waren sinds 1686 (middels een plakkaat) verboden. Later werd het opnieuw verboden in 1725, 1749, 1761, 1784. Het verbod werd minder strikt na de periode 1773 (vanwege de economische crisis). Het is echter belangrijk dat dit laatste niet gold voor witte vrouwen die relaties aangingen met zwarte mannen. Dit werd namelijk gezien als een misdaad tegen de natuur en de beschaving (De Hart, 2013).

De rol van Europese expansie speelt derhalve een enorme rol in de hedendaagse aanwezigheid van Europees en Amerikaans colorism, het probleem van colorism kan ook gerelateerd worden aan andere historische contexten. De heersende klasse hadden vaak een lichtere huidskleur omdat zij niet in de buitenlucht hoefden te werken, zoals wel het geval was onder de arbeidersklasse. Een lichtere huidskleur werd daarom geassocieerd met de elite. Dit was al het geval sinds de Middeleeuwen. Denk bijvoorbeeld aan de voor eeuwenlang populaire cosmetica van de “bovenklasse”, Venetiaans ceruis (loodwit), een vergif dat vrouwen gebruikten om hun gezicht, nek en borst witter en porseleinachtig te maken. Queen Elizabeth I was een bekende gebruikster van dit loodwit en het zou een oorzaak zijn van haar dood. Vandaag de dag speelt ook deze geschiedenis nog steeds een rol, denk aan het feit dat veel Aziatische vrouwen met een parasol en handschoentjes op straat gaan, om hun huidskleur te beschermen tegen de zon.

Concluderend kunnen we stellen dat de basis van colorism en racisme in diverse historische kenmerken gelegen is. Zowel de wijze waarop Europeanen racistische denkbeelden hebben doorgevoerd om zichzelf daarmee het hoogst in de hiërarchie te plaatsen en hun daden te rechtvaardigen, als de denkbeelden van het hebben van een witte huid de hoogste sociale klasse impliceert, blijven relevant in onze hedendaagse samenlevingen. Hoewel het complexe thematiek betreft, die in elke samenleving een andere basis kan hebben, blijft de kern van de weerzinwekkende boodschap vaak: ‘Hoe witter hoe beter.’

Bronnen