Huidskleur is een van de meest zichtbare kenmerken waarop mensen beoordeeld worden. Colorism is discriminatie en ongelijkheid gebaseerd op huidskleur, textuur van het haar en uiterlijke “raciale” kenmerken. Niet alleen vanuit andere “raciale” of etnische groepen, maar vaak juist vanuit de eigen groep. In samenlevingen waar racisme een grote rol speelt, weten we bijvoorbeeld dat een donkere teint vaak gedemoniseerd wordt, in tegenstelling tot mensen van kleur met lichtere tinten. Colorism is dus direct gerelateerd aan racisme en de principes van racisme. De term colorism zou voor het eerst gebruikt zijn door de schrijfster Alice Walker (1983) in haar boek “In search of our mothers’ gardens”. Colorism werd daar gedefinieerd als “prejudicial or preferential treatment of same-race people based solely on their color.” Zij refereerde hiermee aan colorism binnen de eigen groep.

Uit onderzoek (in diverse landen) is gebleken dat lagere inkomens, minder kansen op de arbeidsmarkt, minder kansen in het dating-circuit, zwaardere straffen, etc. direct te relateren zijn aan colorism. Vaak wordt gesteld dat colorism alleen bestaat onder mensen van kleur, maar dit is niet het geval. Behalve dat colorism in alle werelddelen een rol speelt, is het ook zo dat witte mensen colorist zijn (zowel binnen als buiten de eigen gemeenschap). Er is onderzoek gedaan naar de visie van witte respondenten op diverse personen van kleur, welke heeft aangetoond dat witte mensen lichter getinte mensen van kleur intelligenter inschatten (https://www.dailymail.co.uk/sciencetech/article-535828/Why-men-prefer-fair-skinned-maidens-women-like-dark-handsome-strangers.html)

Colorism bestaat al eeuwen. In veel voormalige koloniën waar slavernij aanwezig was, wordt vaak gesteld dat de basis van colorism in de slavernij ligt, omdat de onderdrukkers over het algemeen een voorkeursbehandeling gaven aan de slaafgemaakten met een lichtere teint (vaak omdat zij familieleden waren door verkrachtingen, of vanwege het verdeel-en-heers principe, etc.). Colorism bestond echter ook in veel koloniale samenlevingen na de slavernij. Zo kregen vaak licht getinte mensen van kleur werk dat voor donkergetinte mensen van kleur ontoegankelijk was. De zwarte hogere middenklasse was daarom over het algemeen lichtgetint. Een lichte huidskleur wordt daarmee over de eeuwen heen gerelateerd aan privileges en kansen binnen diverse zwarte gemeenschappen. In Suriname bestaat er een bekende uitdrukking “Opo yu kloru”, wat vrij vertaald “verhef je kleur” betekent. Dit werd gezegd tegen het nageslacht om duidelijk te maken dat het beter zou zijn om met een partner te kiezen met een lichte huidskleur. De kinderen zouden hiermee lichter worden, meer kansen krijgen en een tree hoger op de maatschappelijke ladder komen. Sommige ouders accepteerden daarom bijvoorbeeld geen donker getinte man voor hun dochter. Deze mentaliteit van “opo yu kloru” speelt tot op heden een rol in Suriname en in Surinaamse gemeenschappen in Nederland. Er zijn talloze voorbeelden van families, die veel nadruk leggen op de schoonheid van hun lichtere kinderen, hetgeen negatieve ervaringen zijn voor de donkerdere broers/zussen, neven/nichten.

Naast Suriname, speelt colorism ook een belangrijke rol in andere Zuid-Amerikaanse landen. Zwarte mensen worden gemarginaliseerd, zijn oververtegenwoordigd in de armoedecijfers, en hebben veelvuldig te maken met racisme. In Brazilië werden/worden diverse categorieën en termen gebruikt om diverse soorten “raciale” verschillen te duiden, die direct effect hebben op de sociale status van een individu. Er werden verschillende termen gebruikt voor mensen met “gemengd bloed”, zoals de denigrerende termen “mulat”, “mesties”, etc. Dergelijke termen werden overigens ook in andere werelddelen en landen gebruikt (onder meer in voormalig “Nederlands-Indië”). In veel Spaanse en Portugese koloniën in Zuid-Amerika heeft al vanaf het begin van het kolonialisme “rassenvermenging” plaatsgevonden. Denk bijvoorbeeld aan “racial whitening”, een ideologie die vooral in Brazilië in de periode tussen 1889 en 1914 werd nageleefd en gezien werd als de oplossing van de zogenoemde “negro problem”. Aanhangers van deze ideologie waren van mening dat het witte ras superieur was en dat “rassenmenging” ervoor zou zorgen dat het zwarte ras (zowel genetisch als cultureel) op den duur zou verdwijnen. Hierbij baseerden zij hun denkbeelden op het wetenschappelijk racisme. Daarmee is de constructie van ras in Latijns-Amerika anders dan bijvoorbeeld in de Verenigde Staten, waar “rassenvermenging” over het algemeen vermeden werd. Thomas Jefferson wordt vaak geassocieerd met de leus “all men are created equal”, maar hij was tegelijkertijd fel tegenstander van “rassenvermenging” en zag dit als de degradatie van het witte ras: “A lover of nature history should not be a lover of his slaves if he would keep the races of man like the races of animals as distinct as nature has formed them.”(Jefferson, 1801: p.143). Overigens had hij zelf zes kinderen bij Sally Hemings, een slaafgemaakte vrouw (Finkelman, 1996). Jefferson was van mening dat voormalig slaafgemaakten na de emancipatie naar een ander land zoals Sierre Leone of Haïti zouden moeten emigreren omdat hij van mening was dat witte en zwarte mensen niet vrij en gelijk naast elkaar konden leven in de samenleving zonder het ontstaan van een genocidale rassenoorlog. Dit plan van emigratie zou families uit elkaar trekken, maar volgens Jefferson was de liefde tussen zwarte mannen en vrouwen gebaseerd op lust en het verdriet daarmee van korte duur. In de Verenigde Staten was er dus zelfs sprake van een angst voor “rassenvermenging” vanwege het idee dat er degeneratie zou optreden en juist een gevaar zou zijn voor het witte “ras”. “Rassenvermenging” werd via wetten verboden, denk aan Jim Crow segregation in de Verenigde Staten, apartheid in Zuid-Afrika en formele interraciale huwelijksverboden in bijvoorbeeld Azië en Suriname. Gemengde huwelijken waren sinds 1686 (middels een plakkaat) verboden in Suriname. Later werd het opnieuw verboden in 1725, 1749, 1761, 1784. Het verbod werd echter minder strikt na de periode 1773 (vanwege de economische crisis), echter het is belangrijk dat dit niet gold voor witte vrouwen die relaties aangingen met zwarte mannen. Dit werd namelijk gezien als een misdaad tegen de natuur en de beschaving (De Hart, 2013).

De rol van Europese expansie speelt derhalve een enorme rol in de hedendaagse aanwezigheid van colorism, echter het probleem van colorism kan ook (deels) gerelateerd worden aan andere historische momenten en contexten. In veel Aziatische landen zou colorism al hebben bestaan voorafgaand aan de Europese expansie. De heersende klasse hadden vaak een lichtere teint omdat zij niet in de buitenlucht hoefden te werken, zoals wel het geval was onder de arbeidersklasse. Een lichtere huidskleur werd daarom geassocieerd met de elite. Ook binnen witte gemeenschappen is colorism relevant geweest. Dit was al het geval sinds de Middeleeuwen. Denk bijvoorbeeld aan de voor eeuwenlang populaire cosmetica van de “bovenklasse” Venetiaans ceruis (loodwit), een vergif dat vrouwen gebruikten om hun gezicht, nek en borst witter en porseleinachtig te maken. Queen Elizabeth I was een bekende gebruiker van dit loodwit en zou een oorzaak zijn van haar dood. Vandaag de dag speelt deze geschiedenis (gecombineerd met de culturele invloed vanuit het westen) nog steeds een rol, denk aan het feit dat veel Aziatische vrouwen met een parasol en handschoentjes op straat gaan, om hun huidskleur te beschermen tegen de zon.

Colorism speelt, zoals eerdergenoemd, dus ook in Nederland een belangrijke rol. Een lichte huidskleur wordt bijvoorbeeld vaak geassocieerd met schoonheid en status. Om deze reden zien we dat de teint van de huid enorm relevant blijkt in het dating-circuit, het krijgen van relaties, het krijgen van kansen op de arbeidsmarkt, etc. Ook zien we deze denkbeelden met grote regelmaat terugkomen in populaire beeldvorming middels media en reclames. Mensen die de dupe zijn van colorism, kunnen zelf een afkeer ontwikkelen voor hun eigen huid en uiterlijke kenmerken. Dit speelt zo een enorme rol dat crèmes die de huid bleken, veelvuldig verkocht worden. Deze bleekmiddelen worden overigens over de gehele wereld gebruikt. In Nigeria gebruikt 77 procent van de vrouwen, bleekproducten om hun huid licht te maken, omdat vrouwen met een lichtere huid meer kansen krijgen in de samenleving. Ook India blijkt een belangrijke markt voor dergelijke producten (zowel mannen als vrouwen maken veelvuldig gebruik van bleekproducten voor de huid).

Concluderend kunnen we stellen dat de basis van colorism in diverse historische kenmerken gelegen is. Zowel de wijze waarop Europeanen racistische denkbeelden in historische koloniale contexten hebben doorgevoerd om zichzelf daarmee hoger in hiërarchie te plaatsen en hun daden te rechtvaardigen, als de denkbeelden dat “witheid” een hogere sociale klasse impliceert, blijven relevant in onze hedendaagse samenlevingen (denk aan snapchat filters die de huid lichter maken). Hoewel het complexe thematiek betreft, die in elke samenleving een andere basis kan hebben, blijft de kern van de weerzinwekkende boodschap vaak: “hoe lichter hoe beter”.

Bronnen