Institutioneel racisme is systemisch ofwel structureel racisme. Hiermee wordt verwezen naar de collectieve praktijken, systemen van regels en representaties waarmee categorieën van mensen benadeeld worden, gebaseerd op hun (waargenomen) ras. Een belangrijke indicatie van institutioneel racisme is de mate van ongelijke distributie van goederen en segregatie (in scholen, wijken en intieme relaties) in een samenleving.

Het is van belang om het onderscheid van institutioneel racisme (als een breder systeem en structuur van macht) en individuele vormen van bevooroordeling te benadrukken. Individuele vooroordelen en negatieve stereotypen van individuen zijn niet hetzelfde als institutioneel en/of structureel racisme. Pas wanneer groepen hun vooroordelen (bedoeld of onbedoeld) kunnen opleggen op zodanige wijze dat het hunzelf bevooroordeeld en anderen benadeeld, dan zijn de overtuigingen geïnstitutionaliseerd en daarmee hun privileges beschermd. De term institutioneel racisme is hierbij waardevol, omdat het ons doet inzien dat het niet alleen racisme is als het zo “bedoeld” wordt door een racist, maar racisme kan ook onbedoelde effecten hebben middels instituten of praktijken, zonder individuele dader (Fleming, 2018).

Institutioneel racisme werd voor het eerst benoemd in 1967 door Hamilton & Carmichael (later bekend als Kwame Ture), beide activisten van de Black Panther beweging. In hun werk: Black Power: Politics of Liberation stellen Hamilton & Ture (1967) dat individueel racisme vaak openlijk is en daarom min of meer voor de hand liggend en opvallend is. Institutioneel racisme daarentegen is minder duidelijk. Zij stellen: [institutional racism] originates in the operation of established and respected forces in society, and thus receives far less public condemnation than the second type [individual racism].”

Ook Prof. Stephan Small (2018) beargumenteert dat “the institutional pillars of racialization” (p.8) terugkerende, routine en georganiseerde kenmerken van de samenleving zijn, die direct gerelateerd zijn aan macht en dominantie. Deze pijlers bestaan uit structurele discriminatie, ongelijke kansen en racistische stereotypen, die in zowel private als semipublieke contexten plaatsvinden. Denk aan: families, culturele instituties, onderwijs, huisvesting, gezondheidszorg, arbeidsmarkt, media, etc. maar ook in de publieke sfeer, zoals in wetten, beleid en praktijk. Dergelijke publieke structuren kunnen bepaalde raciale/etnische groepen direct of indirect benadelen. Deze pijlers van racialisatie spelen volgens Small een grote rol in Europese samenlevingen. Ook dr. Fleming sluit zich hierbij aan, echter zij benadrukt dat men in Europa minder zicht heeft op structureel racisme in haar samenlevingen. In “How to be less stupid about race” stelt Fleming (2018: p.44): “The fact that continental Europeans (1) existed prior to the elaboration of modern white supremacy; (2) largely practiced racialized violence overseas through colonial domination of non-Europeans; and (3) managed to prevent the mass immigration of non-Europeans until relatively recently makes it easier for their majority population to deny the social existence and salience of race. A fourth geopolitical issue also fosters the erasure of past and present racism in European societies: the ever-present boogeyman of the overtly racist United States.”

In Nederland wordt institutioneel racisme vaak gezien als een Amerikaans probleem. Omdat “ras” in Nederland geen “box to check” is in formele documenten en als term is het bewust in onbruik geraakt vanwege de besmetting van de term tijdens de Tweede Wereldoorlog, is het vaak gesteld dat er daarom ook geen verschillen zijn in behandeling tussen groepen. Critical race academici hebben echter gesteld dat er in Nederland soortgelijke manifestaties van racisme bestaan in Nederlandse institutionele contexten als in Amerikaanse (e.g. Weiner; 2014, Wekker; 2014; 2016; Nimako, 2012; Essed & Hoving, 2014). Denk aan de mate van segregatie in Nederlandse scholen en wijken (Nederland heeft een ‘de facto apartheidsstelsel’, (Rapport van Binnenlandse Zaken, Polarisatie en radicalisering in Nederland 2009, p.53)), ongelijke kansen op de arbeidsmarkt, racistisch woningbeleid, de hoge percentages van personen die binnen hun eigen raciale groep trouwen, racistische stereotypen en karikaturen in de media en in schoolboeken, raciaal en etnisch profileren, de ongelijke verdeling van machtsposities (e.g. politiek en private sector), etc.

Bronnen