Tradities van “ras” en racisme in het Westen zijn enorm belangrijk voor een goed begrip van wat er zich momenteel in Europa afspeelt. Racisme werd gebruikt als rechtvaardiging voor slavernij en imperialisme. Ook werd racisme en het raciale onderscheid dat werd gemaakt door moderne (pseudo)wetenschap op grote schaal aangenomen in Europa en in Nederland. Pas na gruwelijke historische gebeurtenissen, zoals de Holocaust, gecombineerd met verzet van diverse (antikoloniale) bewegingen, verzwakte “ras” als populaire “wetenschappelijke” theorie. Gedurende de vorige eeuw lijkt racisme verschoven te zijn. Het is steeds meer verwijderd van biologische of zogenaamd “natuurlijke” verschillen, aangezien bekend is dat er geen biologische basis is om mensen te onderscheiden in “raciale” categorieën (het gedachtegoed dat is bedacht in de negentiende eeuw door Europeanen om hun exploitatie en dominantie over anderen, die zij neerzetten als “inferieur”, te rechtvaardigen). Racisme is nu meer verschoven naar een nieuwe vorm van racisme: een die zich vooral richt op culturele verschillen. Het nieuwe racisme beweert dus geen biologische minderwaardigheid, maar gebruikt in plaats daarvan subtielere vormen van uitsluiting door middel van culturele redenering (Bonilla-Silva, 2015). Deze meer “onzichtbare” vorm van racisme is vooral gemotiveerd door de wens van degene met macht om de dominante sociale positie in de maatschappij te behouden. Prof. Bonilla-Silva noemt dit “new racism” of “racism lite”. Hij en andere critical race theoretici beschouwen “new racism” als de dominante raciale structuur in de Verenigde Staten en Europa. Als het nieuwe racisme, dat meer verborgen is, de dominante raciale structuur is in een samenleving, dan moet dat op de een of andere wijze ook tot uiting komen in mensen hun ideologieën. Veel wetenschappers hebben gesteld dat de ideologische variant van deze dominante raciale structuur het “kleurenblind racisme” is. Kleurenblind racisme benadrukt dat “ras” niet relevant is. Tegelijkertijd worden wij wel blootgesteld aan schadelijke geracialiseerde ideeën en beeldvorming. Door de “niet-raciale” argumentatie van kleurenblindheid is het echter moeilijk voor veel mensen om racisme te herkennen en eventueel actie te ondernemen.

De ideologieën van kleurenblind racisme komen zeer regelmatig terug in de Nederlandse context, zoals in de media, in de politiek, in het onderwijs, etc. Kleurenblind tactieken zijn bijvoorbeeld vaak herkenbaar middels linguïstiek. Door bijvoorbeeld te stellen: “ik ben geen racist hoor, maar…” en vervolgens iets racistisch te zeggen. Of “ik heb niets tegen die mensen hoor, maar…” of “ik kan geen racist zijn, want mijn dochter heeft een donkere vriend”, etc. Men wil zich hiermee distantiëren van racisme en graag kleurenblind zijn, terwijl tegelijkertijd wel racistische ideeën worden verspreid. Een andere bekende stelling is: “Ik zie geen kleur, ik zie gewoon een mens”. Behalve dat dit uiteraard feitelijk irreëel is, wordt er ook eigenlijk gesuggereerd dat “kleur” een probleem is en dat witheid de norm is. In het boek “Hallo witte mensen” stelt Anousha Nzume (2017) dat kleurenblindheid twee problematische kanten heeft. In de eerste plaats is kleurenblindheid een gemakkelijke manier om de ervaring van zwarte mensen en andere mensen van kleur te ontkennen. Daarmee wordt zowel de raciale identiteit van mensen van kleur als racisme miskend. In de tweede plaats noemt Nzume dat kleurenblindheid mensen in staat stelt om hun eigen witheid te ontkennen en het daarom nooit zullen onderzoeken.

Bonilla-Silva beargumenteert dat kleurenblind racisme duidelijk naar voren komt middels vier ideologische “frames” die gebruikt worden om geracialiseerde ongelijkheden te verklaren. Het eerste frame van kleurenblindheid, abstract liberalism, verklaart geracialiseerde verschijnselen middels het idee van liberalisme. Er wordt gesteld dat iedereen gelijke kansen zou hebben en dat elk individu in staat is om zijn of haar eigen keuzes te maken. Het probleem met deze visie is dat het voorbijgaat aan het feit dat bepaalde groepen te maken krijgen met structureel racisme, terwijl anderen juist privileges hebben. Mensen die dit frame gebruiken zullen geen voorstander zijn van diversiteitsbeleid, omdat zij dit zien als “positieve discriminatie” terwijl zij niet inzien dat er reeds sprake is van positieve discriminatie (e.g. wit privilege). Het tweede frame, naturalization, suggereert dat geracialiseerde verschijnselen natuurlijke gebeurtenissen zijn. Het idee hierachter is “soort zoekt soort.” De redenering is dat mensen nu eenmaal geneigd zijn om voorkeur te hebben voor hun eigen groep. Het is dan “heel normaal” dat een witte directeur voorkeur zou hebben voor een witte sollicitant. Daarbij wordt vaak gesteld: “Zij doen het ook!”. Behalve dat dit bestaande processen rechtvaardigt, gaat men voorbij aan de betekenis van bestaande machtsstructuren. Het derde frame, cultural racism, gebruikt argumenten gebaseerd op zogenaamde “culturele beperkingen” van (zwarte en niet-zwarte) groepen van kleur om daarmee te beweren dat deze beperkingen de oorzaak zijn voor het economische en sociale “achterblijven” van deze groepen. Men gebruikt hierbij argumenten als: “bepaalde culturen hechten minder waarde aan onderwijs” of “sommige mensen werken gewoon minder hard”. Biologische stereotypen worden hiermee vervangen door culturele. Het vierde frame, minimization of racism, stelt dat racisme wellicht wel bestaat (bijvoorbeeld in extreme situaties), maar dat het geen bepalende factor is in het leven van mensen. Subtielere vormen van racisme worden hiermee ontkend. Er wordt bijvoorbeeld gesteld dat het niet over “ras” gaat maar over sociaaleconomische status of dat racisme een probleem is van laaggeschoolden. Daar waar mensen op racisme worden gewezen, wordt het vaak gebagatelliseerd en weggezet als emotioneel, overgevoelig en overdreven. Tot slot, is het belangrijk te benoemen dat deze frames worden gebruikt door mensen met allerlei etnische en geracialiseerde identificaties. Toch is het opvallend dat de grote meerderheid van witte mensen deze frames lijkt te gebruiken, terwijl zwarte mensen en andere mensen van kleur veel eerder argumenten tegen dit discourse geven dan dat zij dergelijke kleurenblind argumentatie gebruiken (Bonilla-Silva, 2006; Sijpenhof, forthcoming).

Bronnen

  • Bonilla-Silva, E. (2015). More than Prejudice: Restatement, Reflections, and New Directions in Critical Race Theory, Sociology of Race and Ethnicity 1 (1), 75-89.
  • Bonilla-Silva, E. (1997). Rethinking Racism: Towards a Structural Interpretation, American Sociological Review 62 (3), 465-80.
  • Bonilla-Silva, E. (2006). Racism without racists: Color-blind racism and the persistence of racial inequality in the United States. Rowman & Littlefield Publishers.
  • Fleming, C.M. (2018). How to be less stupid about race: On Racism, White Supremacy, and the Racial Divide. Beacon Press.
  • Nzume, A. (2017). Hallo witte mensen. Amsterdam University Press.
  • Sijpenhof, M.L. (forthcoming). A Transformation of Racist Discourse? Colour-blind Racism and Biological Racism in Dutch Secondary Schooling (1968-2017).
  • Van Dijk, T. A. (1987). Communicating racism: Ethnic prejudice in thought and talk. Sage Publications.
  • Van Dijk, T. A. (1992). Discourse and the denial of racism. Discourse & Society, (1), 87-118.