De betekenis van racisme in een samenleving is sterk gerelateerd aan de historische context van een land. In Nederland is de mainstream betekenis van racisme bijvoorbeeld direct verbonden aan het koloniale verleden, de geschiedenis van de rassenwetenschap in Europa en de Tweede Wereldoorlog (de Holocaust). De nadruk van racisme ligt daarmee op openlijk witte suprematie, biologisch racistische ideologieën en vormen van openlijk fysiek of verbaal geweld jegens groepen en/of racisme van een individu jegens een ander individu. Hiermee is de betekenis van het begrip racisme, aanzienlijk uitgehold.

Ten eerste omdat racisme geen individueel probleem is maar een groepsprobleem. Wanneer racisme wordt gezien als een individuele ideologische daad, vergeet men dat racisme ingebed is in een maatschappelijke structuur. Wanneer er te veel aandacht is voor racisme vanuit een psychologische basis, dan wordt snel beweert dat racisme irrationeel gedrag is in plaats van een institutioneel probleem. Institutioneel racisme is systemisch ofwel structureel racisme. Hiermee wordt verwezen naar de collectieve praktijken, systemen van regels en representaties waarmee categorieën van mensen benadeeld worden gebaseerd op hun (waargenomen) ras. Een belangrijke indicatie van institutioneel racisme is de mate van ongelijke distributie van goederen en segregatie (in scholen, wijken en intieme relaties) in een samenleving. Deze collectieve praktijken hoeven niet zichtbaar of bewust te zijn. Het is daarom van belang om racisme niet te zien als een uiterste, maar als een breder systeem van macht. Het gaat over de wijze waarop veel zwarte Nederlanders en andere Nederlanders van kleur als permanente vreemden worden beschouwd. Het gaat over de manier waarop gemarginaliseerde groepen negatief en geracialiseerd worden vertegenwoordigd in discoursen, wat betekent dat dergelijke beelden vaak een onderdeel worden van ons collectief gedachtensysteem. Het gaat om racisme binnen instituties dat leidt tot uitsluiting of ongelijke behandeling van (specifieke groepen) individuen, terwijl andere juist voordelen hebben. Het betreft een genormaliseerde praktijk op maatschappelijk niveau, die (vaak onbewust) voeding geeft aan racistische ideeën van individuen (individueel racisme wordt dus vaak versterkt door institutioneel racisme).

Ten tweede is de betekenis van het begrip racisme uitgehold doordat racisme vaak gelijk gesteld wordt aan extremisme en haat. Racisme is echter een spectrum van verschillende vormen van racisme: van subtiel en latent racisme tot openlijk en extreem racisme. In Nederland is dit zichtbaar in de veelal subtiele vormen van racisme in onze samenleving. Begin jaren tachtig schreef Philomena Essed over “alledaags racisme” in Nederland. Alledaags racisme kan direct, indirect, verborgen, openlijk en kleurenblind zijn. Het kan derhalve via allerlei manieren tot uitdrukking komen. Bijvoorbeeld middels vernederingen, ongelijkheden, micro-agressies, sociale uitsluiting, etc. In haar onderzoek van 1984 toonde Essed (door middel van haar interviews met zwarte vrouwen) aan, dat de uitingsvormen van alledaags racisme in Nederland en de Verenigde Staten aanzienlijk met elkaar overeenkomen. In de heruitgave van haar onderzoek, zien we dat deze mechanismen, dertig jaar later, in essentie vrijwel onveranderd zijn. Wel heeft Social Media veranderingen in de uitingsvormen van racisme teweeggebracht. Social Media is hiermee een van de instrumenten van alledaags racisme geworden.

In Dutch Racism, een compilatie van artikelen samengesteld door Essed en Hoving (2014), staat in het voorwoord dat het voor een goed begrip van racisme in Nederland van belang is om drie componenten voor ogen te houden: (1) racisme in Nederland kan worden herkend door een “Dutch sense of moral and cultural superiority”, hetgeen aanhoudende onwetendheid en het onderschatten van de Nederlandse rol in het slavernij- en koloniaal verleden, behelst. Over de historische ontwikkeling van racisme van Nederlanders is niet veel bekend, behalve enige informatie over het slavernijverleden of koloniale praktijken. Dit gebrek aan kennis heeft ook een effect op raciale processen in de Nederlandse samenleving gehad. Lange tijd is er sprake geweest van latent racisme en bij meer regelmatige contacten met zwarte mensen en andere personen van kleur na de jaren ‘70 en ‘80, werd het racisme duidelijker, maar nog steeds vaak verborgen. (2) Racisme in Nederland bevat een “Dutch claim of innocence”, waarmee het ontlopen en ontkennen van racisme samenkomt met “smug ignorance”. Dit betreft de zelfingenomen houding wanneer men racisme ontkent. De aanwezigheid van racisme in Nederland wordt hiermee direct en zonder wederhoor de kop ingedrukt. (3) Tot slot bevat racisme in Nederland een “a strong element of Dutch entitlement”. Dit eigengerechtigheid refereert aan de verwachting van velen, dat zwarte mensen en andere personen van kleur, dankbaar zouden moeten zijn. Vele mensen voelen dat zij het recht hebben om anderen te kwetsen als daarmee Nederlandse normen en waarden beschermd worden. Essed gaat hier in een ander werk dieper op in middels het begrip “entitlement racism”. Men raakt steeds meer gewend aan openlijke uitingsvormen van haat, wat bedroevend duidelijk wordt binnen het publieke en politieke domein. Men lijkt sinds de eeuwwisseling steeds meer waarde te hechten aan het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is uiteraard een zeer belangrijke vrijheid, maar daarmee is er een situatie ontstaan waarbij veel mensen zelf denken te kunnen bepalen of iets racisme is. Wat de ander (die gedwongen wordt het racisme te ondergaan) ervan vindt, wordt weggewoven. Hiermee stelt Essed dat er nog weinig verantwoordelijkheid wordt gedragen voor de mogelijke effecten (zoals het kwetsen of een verharding van de reactie) van hetgeen men zegt.

Deze drie componenten zijn belangrijk voor het begrip van racisme in Nederland. Essed en Hoving (2014: p.25) stellen dat deze componenten niet exclusief Nederlands zijn, maar: “(…) in their expressions and particular constellations, they seem unmistakably recognizable as elements of the broader phenomenon called Dutch culture.”

De mechanismen van racisme in Nederland komen vaak overeen met new racism en de ideologische variant hiervan, namelijk kleurenblind racisme. Wekker (2016) stelt in haar boek “White Innocence: Paradoxes of Colonialism and Race”, dat witte onschuld een dominante visie is en hoe men in Nederland (al lange tijd) over zichzelf denkt, namelijk als onschuldige, kleine, rechtvaardige, kleurenblinde en racisme-vrije natie. Dit komt veelal tot uiting middels het minimaliseren van het probleem en cultuur racisme. Cultuur racisme heeft betrekking op het uitsluiten van mensen (of voor minderwaardig aanzien) op basis van hun cultuur (dit is vaak een “vervanging” voor biologisch racisme). We zouden kunnen stellen dat cultureel racisme jegens moslims een van de meest openlijke en vaak geaccepteerde, breed gedragen vormen van institutioneel racisme is in Nederland op het moment (e.g. Boog, Dinsbach, Donselaar, & Rodrigues, 2009; Essed, 2009; Van der Valk, 2012; Ghorashi, 2014). Een van de redenen dat dit steeds meer geaccepteerd wordt, is het geloof dat mensen met een migratieachtergrond (moslims specifiek) niet willen integreren ondanks de Nederlandse “gastvrijheid”. Ook bestaat er een sentiment dat moslims intolerant zouden zijn jegens vrouwen, homoseksualiteit en andere religies, hetgeen misbruikt wordt om moslims racistisch te bejegenen. Met andere woorden, moslims zouden zogenaamde inferieure waarden hebben die de Nederlandse cultuur en de democratie zouden ondermijnen. Essed (2009: p.133) stelt: “Thus, the Netherlands and the ‘genuinely Dutch’ claim cultural superiority and the moral obligation to serve as normative models, symbolically speaking not much different from the historical ‘white man’s burden’.”

Kritiek van antiracisten (vanuit binnen- en buitenland) wordt in Nederland vooral beantwoord met ontkenning (“Racisme speelt geen echte rol in Nederland, maar is een Amerikaans probleem en een overgewaaid debat”), onverschilligheid, dissociatie, afwijzing en agressiviteit. Critici worden al snel beschuldigd van overgevoeligheid en kleinzieligheid. Hierdoor is er relatief weinig onderzoek naar racisme gedaan in Nederland (bijvoorbeeld in vergelijking met de V.S. en Groot-Brittannië) en daar waar wel onderzoek verricht is, werd dit de auteurs meestal niet in dank afgenomen. Gelukkig is er nu wel steeds meer aandacht voor. Dat heeft onder meer te maken met de veranderende demografie in Nederland, de (internationale en nationale) politieke verschuivingen, de overduidelijke aanwezigheid van entitlement racism en het feit dat er sprake is van een nieuwe golf van antiracisme (Essed, 2014).

Bronnen

  • Brown, A. K. (2012). Trapped by narcissism: A disillusioned Dutch society. Macalester International, 30 (1), 7.
  • Çankaya, S. (2015). De politiële surveillance van ras en etniciteit. LG Moor, J. Janssen, M. Easton en A. Verhage (red.), Cahiers Politiestudies: Etnisch profileren en interne diversiteit bij de politie, 13-33.
  • ENAR Shadowreport – Afrophobia in Europe: https://www.enar-eu.org/Shadow-Reports-on-racism-in-Europe-203
  • ENAR (2014). Invisible Visivle Minority: Confronting Afrophobia and Advancing Equality for People of African Descent and Black Europeans in Europe. Brussel: ENAR.
  • Essed, P. (2014). Afterword: A Second Wave of Dutch Resistance Against Racism. Frame Journal of Literary Studies, 27 (2), 135-142.
  • Essed, P. (1984, 2018 heruitgave). Alledaags racisme. Uitgeverij van Gennep.
  • Essed, P & I. Hoving (eds.) (2014). Dutch Racism. Amsterdam: Rodopi.
  • Essed, P., & Trienekens, S. (2008). ‘Who wants to feel white?’ Race, Dutch culture and contested identities. Ethnic and Racial Studies, 31 (1), 52-72.
  • Hira, S. (2012). Decolonizing the mind: the case of the Netherlands. Human Architecture, 10 (1), 53.
  • Hondius, D. (2009). Race and the Dutch: on the uneasiness surrounding racial issues in the Netherlands. Paradoxes of cultural recognition: Perspectives from northern Europe, 39-57.
  • Hondius, D. (2003). ‘Become like us’: the Dutch and racism. Via: https://www.opendemocracy.net/people-migrationeurope/article_1616.jsp
  • Goldberg, T. D. (2006). Racial Europeanization, Ethnic and racial studies, 29 (2): 331-64.
  • Özdil, Z. (2014). “Racism is an American Problem”: Dutch Exceptionalism and its Politics of Denial. Frame Journal of Literary Studies, 27 (2), 29-47.
  • Weiner, M. F. (2012). Towards a critical global race theory. Sociology Compass, 6(4), (2012): 339.
  • Weiner, M. F. and Báez, A. C. (eds.) (2018). Smash the Pillars: Decoloniality and the Imaginary of Color in the Dutch Kingdom. Lanham, MD: Rowman & Littlefield.
  • Wekker, G. (2016). White Innocence: Paradoxes of Colonialism and Race. Duke University Press.
  • https://processedlives.wordpress.com/2014/04/12/i-didnt-mean-to-tracing-the-roots-of-dutch-innocence/