Woorden hebben de macht om maatschappijen te vormen. Dit gegeven wordt echter onderschat. Mensen hebben namelijk vaak niet eens door dat onze samenleving doordrenkt is met koloniale of geracialiseerde termen. Zij hebben het gevoel dat dit overdreven is, politiek correct, of zelfs een poging tot het herschrijven van geschiedenis. Hiermee wordt geïnsinueerd dat terminologie niet aan verandering onderhevig zou moeten zijn, dat woorden geen effect hebben op mensen. Terminologie is echter niet onschuldig. Het mist namelijk in veel gevallen de vele visies en perspectieven die mensen kunnen hebben. Ook worden termen gebruikt om diverse vormen van hiërarchie in stand te houden, om mensen binnen of buiten te sluiten. Terminologie wordt zelfs gebruikt om mensen te conditioneren.

In 2018 is een publicatie Words Matter uitgegeven. Een bijdrage van vier musea over het woordgebruik in de museale sector. Hierin wordt duidelijk gemaakt dat woorden een lading hebben, die voor de een wellicht niets betekenen, maar voor de ander gevoelig liggen. Deze publicatie geeft suggesties hoe om te gaan met politieke en sociale ladingen van woorden. Wayne Modest stelt hierin: “Voor de voorstanders van dit soort aanpassingen gaat de discussie over het veranderen van woorden echter niet om het wijzigen van de geschiedenis. Voor hen gaat het om het verwijderen van bepaalde woorden uit het vocabulaire van musea, als ook uit een breder maatschappelijk vocabulaire; woorden die zijn ontstaan uit racistische en discriminerende discoursen, die volgens hen hebben bijgedragen aan de negatieve manier waarop sommige groepen worden gezien en vertegenwoordigd. Het pleiten van sommigen voor meer aandacht voor taal, gaat erover hoe de taal die we gebruiken eraan bijdraagt dat groepen zich verbonden voelen met de samenleving. Dit is dus een strijd om representatie, herkenning en respect” (p.13-14).

Veel culturele discoursen en linguïstiek kunnen tot op heden geassocieerd worden met het Europees koloniale verleden. Praktijken gericht op taal waren tijdens de Europese expansie en kolonialisme instrumenteel in het positioneren van bepaalde bevolkingsgroepen als “inferieur” ten opzichte van de zogenaamd “superieure” Europeanen. Hierbij werden ook niet-Europese talen als inferieur gezien. Hoewel momenteel de meeste voormalig gekoloniseerde populaties politieke onafhankelijkheid hebben, wordt vaak gesteld dat culturele en linguïstieke dekolonisatie incompleet is. Sinds de Tweede Wereldoorlog zijn er al pogingen gedaan om het stigma van niet-Europese culturen en talen te verwijderen. Ook in Europese talen zijn er pogingen gedaan om koloniaal taalgebruik weg te nemen. Sinds de burgerrechtenbeweging van de jaren 60 is er bijvoorbeeld in de Verenigde Staten een terminologie-discussie gevoerd over raciale termen, waarvan ‘negro’ en ‘colored’ voorbeelden zijn. Zwarte Amerikanen weigerden zich nog zo te laten noemen, omdat deze termen door de witte onderdrukker waren bedacht en opgelegd. Daarnaast hebben dergelijke termen beledigende associaties die zijn voortgekomen uit de slavernij. Naar aanleiding van deze terminologie-discussie werd de term ‘Afro-American’ en later ‘African American’ of ‘Black’ gebruikt. In Nederland is een soortgelijke terminologie-discussie niet of nauwelijks gevoerd. Daarom is in Nederland decennialang (tot op heden) met alle gemak gebruik gemaakt van koloniale en raciale termen; duidelijk besmette termen vanwege de relatie met het lang populaire biologisch racisme (“rassenwetenschappen”).

Niet alleen linguïstiek maar ook taal in de vorm van het master narrative, het mainstream discourse (onder meer in het onderwijs en in Nederlandse geschiedschrijving), beïnvloedt de wijze waarop wij denken en ons verleden herdenken. Dit komt bijvoorbeeld duidelijk naar voren in de behandeling van de Nederlandse slavernijgeschiedenis. Onder meer het veelvuldige gebruik van rechtvaardigingen en minimalisering van deze geschiedenis, bijvoorbeeld door het gebruik van ‘the passive voice’ waar de dader niet genoemd wordt (“Duizenden slaven kwamen aan op plantages”) of door de “maar-ook-zij-hebben-schuld-verhaallijn (“Afrikanen hebben zelf hun eigen mensen verkocht”). In relatie tot taalgebruik ten aanzien van de Nederlandse slavernijgeschiedenis is er kritiek geuit op termen zoals “slaaf”, hetgeen aanneemt dat een persoon een slaaf is, in plaats van een persoon die tot slaaf wordt gemaakt. De meer correcte term is “totslaafgemaakte of slaafgemaakte persoon.” Andere termen zoals “plantage” of “planter” geven een zeer verwrongen en geromantiseerd beeld op de werkelijkheid, aangezien het “plantage-werkkampen” dan wel “onderdrukkers” (in het Engels beter vertaald naar “enslaver”) betreft. Ook het bekende fictieve en Eurocentrische idee dat Europeanen bepaalde werelddelen “ontdekt” hebben, in plaats van “bezet” of de cultureel specifieke en zeer beledigende termen die in Nederland veelvuldig gebruikt worden, zoals “Eskimo”, “Indiaan”, “Inboorling”, “Koelie” tonen dat terminologie niet neutraal is. Een ander voorbeeld is de geschiedenis van ras en racisme, welke niet naar behoren behandeld wordt in de Nederlandse samenleving (e.g., onderwijs, media). Zo wordt op Nederlandse middelbare scholen een foutief en minimaliserend beeld van racisme onderwezen. Leerlingen worden (onbewust) geconditioneerd met raciale hiërarchieën en stereotypen. Vraag een gemiddeld persoon wat de definitie van racisme is en deze zal naar alle waarschijnlijkheid een verhaal over individuele discriminatie of vooroordelen ophangen. Weinig mensen zijn op de hoogte van racisme als structureel en institutioneel probleem. Daarnaast worden referenties naar de term “ras” en de notie van racisme in Nederland vaak als overdreven beschouwd. In plaats hiervan wordt in overduidelijke en extreme gevallen, meestal gebruik gemaakt van meer “neutrale” termen zoals “discriminatie” gerelateerd aan “cultuur” of “etniciteit” (terwijl vaak “ras” bedoeld wordt). Dit is problematisch vanwege de verschillende betekenissen en implicaties. Verder zijn er verschillende termen die in Nederland gebruikt zijn voor mensen met een migratieachtergrond. Bijvoorbeeld “buitenlanders”, “allochtonen” of “etnische minderheden”. In het kort: dergelijke termen zijn problematisch omdat hiermee veelal geen Duitsers, Amerikanen, Belgen (etc.) mee bedoeld worden. Witte mensen met een migratieachtergrond worden meestal niet gezien als een ‘etnische minderheid’, terwijl ze dat wel zijn. Etnische minderheden is dus een problematische term, omdat er eigenlijk “raciale minderheden” mee wordt bedoeld. Die terminologie willen veel mensen echter niet gebruiken, omdat het veelal als racistisch wordt gezien om ras (als sociaal construct) te benoemen. Men is liever zogenaamd kleurenblind.

Voor veel mensen bestaat er onduidelijkheid over de door hen gebruikte termen en ook zijn velen van mening dat zij zelf mogen bepalen wat wel of niet racistisch taalgebruik is (maar willen toch liever niet als racistisch worden beschouwd), hetgeen leidt tot ongemakkelijk taalgebruik, bijvoorbeeld een grote mate van onsamenhangendheid en tegenstrijdigheid in de uitspraken, fluisteren van raciale termen, of het gebruik van termen zoals: “mensen met een kleurtje”, of “gekleurde mensen”. Deze laatste term wordt vandaag de dag steeds vaker gebruikt en komt voort (het is in ieder geval sterk gerelateerd aan) de termen “colored” of “kleurlingen”, welke veelvuldig gebruikt werden in de V.S. tijdens het Jim Crow systeem en Zuid-Afrika tijdens de apartheid. Om deze reden wordt de voorkeur gegeven aan de meer neutrale term “personen van kleur”. In politieke termen wordt ook steeds meer gebruik gemaakt van de termen “wit” (i.p.v. het positieve ‘blank’), “zwart” en “niet-zwarte personen van kleur”. De termen wit en zwart zijn historische, politieke en culturele concepten. Lastig bij het gebruik van de term “zwart” is, dat dit in Nederland vaak gebruikt wordt als denigrerende taal, waarbij de focus lag op de zogenaamd letterlijke huidskleur van een persoon. Daarom zijn er veel mensen die het woord “zwart” onprettig vinden en liever aangeduid worden als “donker”. Ook veel witte mensen hebben er moeite mee om “wit: benoemd te worden in plaats van “blank”. Blank, hetgeen positieve associaties heeft zoals schoon, kleurloos, zuiver, licht, niet bevlekt, is een normatieve term die nog steeds hoofdzakelijk gebruikt wordt in de Nederlandse taal. Dit heeft tot veel kritiek geleid vanuit antiracistische activisten, die terecht van mening zijn dat het woord “wit” (hetgeen al eeuwen geleden gebruikt werd, maar werd vervangen door het historisch geladen woord blank) inclusiever is, voor alle groepen in de samenleving.

Bronnen