In onze samenleving zien we regelmatig automatische aannames van “witte onschuld” versus “zwarte schuld” terug in de denkbeelden van individuen. Ook worden dergelijke aannames structureel gereproduceerd in en middels publieke en semipublieke instituties. Wekker (2016) stelt in haar boek “White Innocence: Paradoxes of Colonialism and Race”, dat dit fenomeen de dominante visie is in Nederland en hoe Nederland (al lange tijd) over zichzelf denkt, namelijk als onschuldige, kleine, rechtvaardige, kleurenblinde en racisme-vrije natie. Dit eigenbeeld is ondergedompeld in een cultureel superioriteitsgevoel. Zo heerst in Nederland bijvoorbeeld een veelvuldig herhaald denkbeeld dat (Nederlandse) moslims intolerant zouden zijn en zogenaamde inferieure normen en waarden hebben, maar, zo stelt Essed, zo’n houding is symbolisch niet veel anders dan de bekende “white man’s burden” (Essed, 2009: p.133). Witte onschuld is dan ook sterk gerelateerd aan (de afwijzing van) wit privilege, het gevoel van eigengerechtigdheid (Wekker, 2016), en (historische en hedendaagse raciale) ongelijkheid. Witte onschuld behelst aanhoudende “raciale apathie” (Forman, 2004). Dit betreft een algemeen gebrek aan motivatie en interesse in de ervaringen van mensen van gemarginaliseerde groepen. En daarom is deze witte onschuld absoluut niet onschuldig. Ook Essed en Hoving (2014) stellen in “Dutch Racism” dat racisme in Nederland, onder meer te relateren is aan “witte onschuld”. Zij benoemen dat witte onschuld en de ontkenning van racisme samenkomen in het concept “smug ignorance”, waarbij soms op een agressieve wijze de mogelijkheid om kennis op te doen wordt afgewezen.

De zogenaamde onschuld van Nederland en Nederlanders wordt vaak gerechtvaardigd door diverse kleurenblind racistische frames te gebruiken: door te stellen dat racisme gelijk is aan nazisme, segregatie in de VS en apartheid in Zuid-Afrika; door te stellen dat wij in Nederland geen racisme kennen; door te stellen dat er sprake is van “reverse racism”; dat racisme wellicht “incidenteel” voorkomt onder mensen met een lage opleiding; door te argumenteren dat dergelijke “incidenten” “nooit zo bedoeld” zijn.

Wekker beargumenteert dat vier eeuwen van kolonialisme en imperialisme een belangrijk effect hebben gehad op de levens van zwarte mensen en niet-zwarte personen van kleur in Nederland, maar ook op de vorming van de witte Nederlandse identiteit. Wekker refereert hierbij aan het concept “cultural archive” van Said (1993). Cultural archive heeft onder meer betrekking op de rol van imperialisme (als een breed systeem van overheersing) als het centrale element van Westerse cultuur. Wekker (2016: p.19) stelt: “(…) the cultural archive is located in many things, in the way we think, do things, and look at the world, in what we find (sexually) attractive, in how our affective and rational economies are organized and intertwined. Most important, it is between our ears and in our hearts and souls.”

Dit cultural archive, als onderdeel van ons cultureel DNA, wordt in Nederland nauwelijks erkend. Wij hebben namelijk te maken met bewuste historische verzwijging, ontkenning en onwetendheid. Dit komt bijvoorbeeld deels voort uit het feit dat men weinig collectief besef heeft van de historie van kolonialisme en racisme van Nederlanders. Het heeft onder meer te maken met het feit dat raciaal geweld in het verleden voornamelijk in de koloniën plaatsvond en dat men vrij lang massale immigratie van niet-Europeanen heeft tegengehouden. Daarmee was de aanwezigheid en aanhoudendheid van racisme en witte overheersing uit het zicht. Wij hebben in Nederland daarmee onvoldoende begrip van de complexe relatie tussen de imperialistische rol van Nederland en de negatieve visies op onze multiculturele samenleving. Wekker (2016: p.15) stelt: “The past forms of massive blind spot, which barely hides a structure of superiority toward people of color.”

Zolang er geen keerpunt komt in ons collectieve bewustzijn van de koloniale geschiedenis van Nederland, zal er weinig veranderen in de wijze waarop zwarte mensen en niet-zwarte personen van kleur in Nederland behandeld en bezien worden, zullen de aanhoudende kleurenblind ideologieën aanwezig blijven en blijft het gevoel van witte superioriteit genormaliseerd.

Bronnen

  • Essed, P. & Hoving, I. (eds.) (2014). Dutch Racism. Amsterdam: Rodopi.
  • Forman, T.A. (2004). “Color-blind Racism and Racial Indifference: The Role of Racial Apathy in Facilitating Enduring Inequalities,” in The changing terrain of race and ethnicity, eds. M. Krysan, A.E. Lewis. NY: Russell Sage, 2004: 43-66.
  • Said, E. (1993). Culture and Imperialism. London: Vintage.
  • Wekker, G. (2016). White Innocence: Paradoxes of Colonialism and Race. Durham and London: Duke University Press.
  • Weiner, M. F. (2012). Towards a critical global race theory. Sociology Compass, 6 (4), (2012): 339.